Misbruik in een kerkelijke setting: het werd sinds de jaren tachtig en negentig een internationaal thema. Decennialange misstanden binnen rooms-katholieke internaten kwamen eindelijk aan het licht. Er verschenen boeken en documentaires over incestueus misbruik binnen sommige ‘zware’ protestantse families. Ook in diverse pastorale relaties bleek er nogal eens iets mis te gaan.
Gelukkig zijn er intussen heel wat maatregelen getroffen om slachtoffers bij te staan. Maar vorige week las ik een uitgebreid artikel over drie casussen, waarin die hulp toch behoorlijk tekort schoot.
‘Ontredderd – Het proces in de kerkenraad als de predikant seksueel misbruik heeft gepleegd’, luidde de titel van zijn proefschrift uit 2005. Predikant en praktisch theoloog Alexander Veerman heeft in zijn loopbaan altijd veel aandacht besteed aan de begeleiding van slachtoffers en daar ettelijke publicaties aan gewijd. In 2014 interviewde ik hem en zijn vrouw Esther*, eveneens theoloog, maar tevens ervaringsdeskundige. Samen vertelden ze mij over de specifieke voetangels en klemmen die je tegenkomt wanneer het misbruik in een kerkelijke setting heeft plaatsgevonden.
Vorige week las ik het Nederlands Dagblad een uitvoerige reconstructie van de klachtenprocedure bij drie vrouwen, die onafhankelijk van elkaar grensoverschrijdend gedrag hadden ervaren van een landelijk bekende, charismatische predikant. Meteen moest ik terugdenken aan dat interview van toen.
‘Herder op zijn hoede’
Toen ik twaalf jaar geleden bij Esther en Alexander Veerman in de huiskamer zat, waren er al meerdere meldpunten voor misbruik in pastorale relaties; er was zelfs een werkgroep Godsdienst en Incest. Esther en Alexander, destijds woonachtig op de Noord-Veluwe, bepleitten echter nog een meldpunt voor álle vormen van misbruik binnen een religieuze setting. Aanleiding was de uitkomst van een langlopend onderzoek van kennisinstituut Movisie, ‘Herder op zijn hoede’ (2011). Graag wilde Movisie de opgedane kennis delen met beleidsmakers, maar ook met kerkelijke voorgangers, ambtsdragers, pastoraal werkers en vrijwilligers. ‘Alle kerkgenootschappen zijn welkom om aan te haken bij dit project,’ stond er uitnodigend op de website.
Maar dat lag niet zo eenvoudig, besefte Alexander Veerman. ‘Wat ‘Herder op zijn Hoede’ ook liet zien, is hoe lastig het voor kerken is om hun zwijgen te verbreken. Geloofsgemeenschappen zijn doorgaans meer gesloten dan andere groepen. Iedereen kent elkaar. Zeker wanneer de dader binnen de kerk een gerespecteerd persoon is, ondervindt het slachtoffer veel tegenkrachten: van de kerkenraad, van gemeenteleden… Waar de dader ál ter verantwoording wordt geroepen, zie je vaak dat hij degene is die dan mooie woorden spreekt. Waarbij hij zijn daden liefst nog bagatelliseert, met iets als “Nou ja, één keer heb ik per ongeluk haar borsten aangeraakt.” Vervolgens gaat hij quasi door het stof en wordt het slachtoffer onder druk gezet om hem gauw te vergeven.’
Vuile was
Natuurlijk waren er algemene meldpunten waar in theorie iedereen zijn/haar ervaring en bange vermoedens kwijt kon; denk aan Slachtofferhulp en later Veilig Thuis. Maar het seculiere karakter hiervan bleek voor veel gelovigen een hinderpaal. Want, zo vreesde men: bij elk geval van misbruik-onder-christenen dat naar buiten kwam, zouden altijd wel enkele outsiders hun antireligieuze stokpaardjes bestijgen.
‘Kerkelijk gebonden slachtoffers zijn extra terughoudend met meldingen, uit angst om de vuile was buiten te hangen,’ legde Alexander uit. ‘In gedachten horen ze de hulpverleners al roepen: Ja hoor, daar heb je die gristenen weer!’
Esther vulde aan dat bezorgdheid over de ‘vuile was’ niet het enige mechanisme was dat kerken zwijgzaam houdt. Zij noemde de zogeheten ‘non-realisatie’ als tweede oorzaak: veel gelovigen houden onbewust hun ogen gesloten voor de mogelijkheid van seksueel misbruik of huiselijk geweld: ‘Voor hen is verkrachting of kindermishandeling iets dat in de boze buitenwereld plaatsvindt, niet in hun eigen veilige kringetje. Toen ik iemand iets over mijn misbruikverleden vertelde, reageerde die paniekerig: “Oh nee, ik wil die verhalen van jou niet laten binnenkomen, hoor! Dan kan ik vannacht niet meer slapen!” Zo werkt het ook binnen veel kerken. Wat niet weet, wat niet deert. Want zodra jij je openstelt en je realiseert wat er voor narigheid in je eigen omgeving gebeurt, kun je nooit meer terug naar je illusie.’
Kindermishandeling
Die non-realisatie vindt ook op maatschappelijk niveau plaats, wist Esther: ‘In Amerika geven ze honderd dollar per inwoner uit aan preventie en behandeling van kanker en aids. Maar aan preventie en bestrijding van kindermishandeling wordt per inwoner maar één dollar uitgegeven. Terwijl de kosten even hoog zijn! Ik denk dat je die houding kunt generaliseren naar West-Europa. De maatschappij investeert heel weinig in deze problematiek. Want al wéten we dat huiselijk geweld overal voorkomt, we laten die kennis liever niet volledig tot ons doordringen.’
En over kindermishandeling gesproken: juist voor geloofsgemeenschappen zou een belangrijke rol weggelegd kunnen zijn, luidde het hartstochtelijk pleidooi van beiden. Alexander: ‘Gelovigen moeten zich beter realiseren dat ook in hun kringen geweld voorkomt. Kijk, als predikant maak je je eigen keuzes voor nascholing. Je kunt je inschrijven voor nadere verdieping in een bepaald thema, van dogmatiek tot en met praktische theologie. Maar voor de cursussen over geweld en psychotrauma is doorgaans weinig animo. Kennelijk heeft dat voor de meesten geen prioriteit.’
Esther: ‘Terwijl juist geloofsgemeenschappen zo’n fantastische mogelijkheid hebben om vroegtijdig te signaleren! Baby’s worden gedoopt, predikanten en ouderlingen komen bij gezinnen over de vloer… Op die manier volg je jarenlang hun ontwikkeling. Dus wanneer jij als voorganger of pastoraal werker je ogen en oren goed openhoudt, kun je er extra vroeg bij zijn.’
Twaalf jaar later
Tot zover de inhoud van het interview in 2014. Twaalf jaar later is er wel het nodige veranderd, constateert Alexander Veerman. ‘Je hebt nu bijvoorbeeld een organisatie als Veilige Kerk. Er is ook een Reformatorisch Meldpunt, met kundige en betrokken mensen, al werd helaas de financiering enkele jaren na de oprichting vanuit de kerken teruggeschroefd. Er zijn nu in veel gemeenten ook vertrouwenspersonen gekomen, met name door de inspanningen via het Meldpunt Misbruik van de kleine gereformeerde kerken . En dankzij iemand als Inge Bosscha, die veel werk heeft verzet om het religieus trauma op de kaart te zetten.’
Ook de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) kent het Meldpunt SMPR. Toch toonde recent onderzoek aan dat de PKN dit meldpunt niet altijd optimaal inzet. Dat kwam naar voren in de casuïstiek rond de bij velen geliefde, landelijk bekende PKN-predikant Paul V. Volgens de reconstructie door het Nederlands Dagblad bleek de invloed van ’s mans populariteit het nog steeds te winnen van de bezorgdheid om de ten minste drie slachtoffers. En dat is uitermate zorgelijk, te meer daar slachtoffers van grensoverschrijding en misbruik in een religieuze context een extra hindernis wacht: hun eigen interpretatie in het licht van hun geloof.
Dubbeltrauma
Alexander Veerman: ‘Seksueel misbruik of huiselijk geweld raakt aan je zelfvertrouwen, aan je basisvertrouwen ook. Dat komt al in de buurt van je levensovertuiging. En als gelovige heb je je een levensovertuiging vanuit jouw geloofsgemeenschap aangereikt gekregen. Die christelijke levensovertuiging vormt jouw referentiekader van waaruit jij situaties beoordeelt en probeert te verwerken.’
Bij misbruik in religieuze setting komt er dus een dimensie bij, betoogt hij: ‘Dan voel je je als slachtoffer al gauw slecht. Want binnen de kerk wordt gedrag vaak benoemd in termen van ‘zonde’ en ‘schuld’. In emotioneel opzicht kan daaruit volgen dat je jezelf als een slecht mens beschouwt en dat je worstelt met een schuldgevoel. Maar vanuit de psychologie weten we dat óók seksueel misbruik dezelfde gevoelens veroorzaakt: slachtoffers voelen zich vaak slecht, vies en schuldig, en worstelen met hun eigenwaarde.’
En dan gaat het mis zodra je als slachtoffer de kerk betreedt, legt hij uit. ‘Want in de kerk wordt gesproken over zonde en vergeving. Jouw gevoel van slechtheid past precies bij het woord ‘zonde’. Dus ga je om vergeving bidden, maar dat helpt niet. Nou, dan moet jij toch wel héél zondig zijn…! Alleen, die vergeving kán bij jou nooit landen − simpelweg doordat jij geen schuld draagt aan wat jou is aangedaan. En dan werkt het geloof niet langer bevrijdend, maar juist beklemmend. Dat is een tweede aspect van het trauma. Daarom spreken we ook wel van dubbeltrauma.’
De term ‘dubbeltrauma’ impliceert níét dat gelovigen meer zouden lijden dan niet-gelovigen, stelt Alexander Veerman uitdrukkelijk. Wel dat trauma’s binnen een religieuze context een extra laag hebben. ‘En de seculiere hulpverlening kan daar vaak weinig mee, doordat daar meestal geen kennis aanwezig is van dat religieuze onderdeel. Er is dus iemand nodig die het schuldgevoel van het slachtoffer binnen dezelfde christelijke context analyseert en de verantwoordelijkheid teruglegt bij de dader. Want dát is degene die gezondigd heeft.’
* Esther Veerman overleed op 13 mei 2024. Lees hier haar In Memoriam.
Waardeer je dit artikel?
Dan kun je dat laten blijken met een financiële bijdrage. Zo help je mij om als freelancer te blijven werken!
