Entree expositie met beelddrager: ‘Boy, Smoking’ (Lucian Freud)
Poëtisch of rauw, verstild of dynamisch: in Kunstmuseum Den Haag tref je een schijnbaar willekeurige mengeling van stijlen en sferen. London Calling toont een dwarsdoorsnede van het naoorlogse kunstleven in de Britse hoofdstad.
Een halve eeuw geleden organiseerde de Amerikaanse schilder Ronald B. Kitaj een groepsexpositie in Londen, die hij de titel The Human Clay meegaf. Kitaj verzon daarbij de term ‘School of London’ voor de groep. Toch vormden de exposanten feitelijk geen ‘school’; er was namelijk geen sprake van stilistische samenhang of gedeelde principes. Wat ze wel deelden – in weerwil van de naoorlogse tijdgeest – was hun vasthouden aan figuratie, met de mens als onderwerp. Ook hadden ze allemaal een band met Londen, in die zin dat ze er minstens een tijdje hadden doorgebracht.
Vijftig jaar later presenteert Kunstmuseum Den Haag, in samenwerking met Tate, een overzichtstentoonstelling van die ‘School of London’. De titel London Calling herinnert aan de berichtgeving van de BBC World Service Station tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar ook aan de gelijknamige hit uit 1979 van de Londense punkband The Clash, die daarin een wereld vol politieke spanning en sociale onrust bezingt. Desondanks luidt de boodschap in dit punknummer: kruip niet angstig weg voor nucleaire oorlogen en milieurampen, maar kom tevoorschijn en leef je leven!
Echo’s van oorlog
En dat hebben de veertien exposanten van London Calling gedaan, al is af en toe nog wel een echo van de Tweede Wereldoorlog te bespeuren. Lucian Freud (inderdaad, kleinzoon ván) is prominent aanwezig: hij schilderde ook de beelddrager van London Calling, namelijk het portretje ‘Boy, Smoking‘ (olieverf op koper) dat overigens maar 15,5 x 11,5 centimeter klein is. Freud werd in 1922 geboren in Berlijn, maar vluchtte in 1933 met zijn hele familie voor de nazi’s naar Londen. Daar raakt hij bevriend met Francis Bacon, ook een van de sleutelfiguren in de groep. Bij Bacon zien we vage toespelingen op het nationaalsocialisme, of althans politiek geweld: hij schilderde zijn toenmalige geliefde Eric Hall slapend in Hyde Park, met rechts iets onheilspellends dat zowel aan de loop van een geweer doet denken als aan een bebloede mond, speechend voor een microfoon.
Uiteraard is David Hockney van de partij, een geordende oase van licht en kleur na het sombere expressionisme van Bacon. Liefdevol portretteerde Hockney zijn ouders als een keurig, burgerlijk echtpaar. De scène van zijn vriend onder de douche mag amper pikant heten, eerder een ontspannen momentopname van het dagelijks leven. Ook hangt hier zijn fameuze ‘Mr and Mrs Clark and Percy’ (1971): het jonge ontwerpersechtpaar poseert zelfbewust in hun zonnige, minimalistisch ingerichte flat, met hun witte kat bij Mr Clark op schoot.
De vierde coryfee is de Portugese Paula Rego. Op haar imposant, veelkleurig maar melancholisch triptiek ‘The Pillowman’ speelt een zachte, donkerbruine reus de hoofdrol. De ‘Kussenman’ oogt zowel troostend als depressief; volgens Rego zelf symboliseert hij haar vader. In de surrealistische taferelen die haar jeugd moeten weergeven, suggereert ze ook scènes uit het lijdensverhaal: een Kruisafname, een Piëta. ‘The Bride’ (uit haar serie Dogwoman, 1994) biedt ook al geen vrolijke aanblik; volgens Rego zelf ‘ligt de vrouw als een hond achterover, om haar buik te laten kietelen’.
(Tekst loopt door onder afbeelding)

Dynamisch
De overige kunstenaars zijn minder bekend dan de voormelde beroemdheden, maar niet minder interessant. Ontroerend is ‘Melanie and Me Swimming’ (1978/79) van Michael Andrews, dat poëtisch verbeeldt hoe hij zijn dochtertje leert zwemmen in een bergmeer. Tragikomisch is ‘Man who Suddenly Fell Over’ (1952) waarop een oudere meneer omkukelt, voor het oog van een vrouw die zichtbaar moeite heeft haar lachen te bedwingen.
Voor explosies van kleur in een dynamische, gefragmenteerde omgeving zorgen de Caribische Denzil Forrrester en R.B. Kitaj. Forrester schildert over racisme, Kitaj over de Joodse diaspora. ‘The Wedding’ (1989-93) toont een andere bruid dan die van Rego. Kitaj plaatst een zedig figuurtje in wit, kaarsrecht maar breekbaar, tussen dominant aanwezige mannen in felle kleuren: rood, blauw, groen en geel.
In 1952 voltooide Lucian Freud het fijnzinnig portret van zijn eerste vrouw; hoewel zij één naakte borst toont, maakt ze een introverte, bijna sacrale indruk. In 2004 echter schildert hij in grove streken ‘David and Eli’: zijn vriend David Dawson als naakte man van middelbare leeftijd, wijdbeens op een wit bed, een hond naast zich. Bepaald geen eerbetoon aan het menselijk lichaam, zou je zeggen – hoewel, wie bepaalt de esthetiek waaraan een lijf moet voldoen om gezien te mogen worden? Diezelfde vraag kun je stellen bij het hartbrekende doek van Francis Bacon uit 1961, waarop een roze figuurtje zich moeizaam op handen en voeten voortbeweegt in een duistere omgeving. Het is een naakt kind, meer specifiek: een deels verlamd poliopatiëntje.

Confronterend
Even confronterend maar allesbehalve tragisch is het virtuoze olieverf ‘Paul Rosano Reclining’ (1974) van feminist Sylvia Sleigh: zij vereeuwigde model Paul van top tot teen, daarbij geen lichaamshaartje overslaand. Hij ligt er ontspannen maar kwetsbaar bij, in het volle daglicht. Want Sleigh’s missie, gelijkwaardigheid van man en vrouw, hield in dat zij mannen schilderde ‘zoals mannen vrouwen schilderen; onderworpen aan de blik van de kunstenaar’.
Van een totaal andere orde is Lynette Yiadom-Boakye’s mysterieuze doek ‘Prospect West of a Necromancer’ (2019). Een groep jongemannen waadt ’s nachts hand in hand door het water, hun groen/blauwe kleding als contrapunt van de bruinrode hemel; een onzichtbare maan doet hun donkere huid subtiel oplichten.
London Calling toont een kleurrijke, woeste waaier van stijlen en stemmingen rondom de mens als thema. Maar dankzij de sobere inrichting, met voor elke kunstenaar een eigen zaal of nis, blijft het een overzichtelijk parcours. Daarbinnen kun je naar hartenlust grasduinen in de Londense kunstscene van de twintigste eeuw.
London Calling, Kunstmuseum Den Haag. Te zien t/m 7 juni 2026.
(Dit artikel verscheen eerder in het Nederlands Dagblad)
Waardeer je dit artikel?
Dan kun je dat laten blijken met een financiële bijdrage. Zo help je mij om als freelancer te blijven werken!
