Beeldende kunstCultuurRecensie

‘Nieuwe Kaders’: een wandeling door de kunstgeschiedenis van het interbellum

‘Nieuwe Kaders’ heet de nieuwste expositie in Museum MORE. Drie grote zalen onthullen hoe fotografen, cineasten en schilders elkaar al dan niet bewust hebben beïnvloed. Het resultaat is een aanstekelijk sfeerbeeld van de Nederlandse kunstgeschiedenis tijdens het interbellum.

 

Margaretha Coornstra

Een ontroerend beeld, in alle nagestreefde nuchterheid: ‘Kom met suikerklontjes’ van Gerrit Kiljan. Ontroerend vanwege het huiselijke onderwerp, maar ook door het losmaken ervan uit zijn context, de verheffing van het alledaagse. De glanzende rondingen van de tweemaal weerspiegelde kom versus de hoekige klontjes, de scherpe diagonalen, de contrastwerking – een stilleven om lang naar te kijken.
Maar die term, ‘stilleven’, zegt het al: hoewel schilderkunst en fotografie in principe gezworen rivalen waren, hadden ze tegelijk veel gemeen. Het is precies die overlap waarop de expositie Nieuwe Kaders: schilderkunst, fotografie en film 1920-1940 het accent legt.

Krappe kaders

1929 was het jaar van twee belangrijke exposities. In het Stedelijk Museum te Amsterdam introduceerde kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken de Neue Sachlichkeit, een Duitse stroming die een objectief-realistische, bijna fotografisch nauwkeurige registratie beoogde. In Nederland vond deze visie haar eigen vertegenwoordigers in mensen als Pyke Koch, Dick Ket, Wim Schuhmacher en Carel Willink.

In Stuttgart lanceerde de expositie Film und Foto de zogeheten Nieuwe Fotografie, als krachtige reactie op eerdere fotografen die de schilderkunst poogde te imiteren. De Nieuwe Fotografen gingen voor een haarscherpe weergave van dagelijkse details, vaak in close-up en in vervreemdend krappe kaders, en vanuit vogelvlucht- dan wel bijna stoeptegelperspectief. Nederlandse exponenten waren Gerrit Kiljan (de man van de suikerklontjes), Piet Zwart en Paul Schuitema.
Het hoge standpunt bij veel foto’s zie je terug op schilderijen. ‘Stadsbuurt’ (1933) van Wim Oepts bijvoorbeeld. Of portretten, zoals als ‘De Russin’ (1926) van Schuhmacher en ‘Portret van Henk Meijer’ (1937) door Paul Citroen.

Stadssymfonie

Naast de invloed van fotografie was er die van de film, een jong medium waarmee eveneens naar hartenlust werd geëxperimenteerd. In 1927 behoorden Menno ter Braak en Joris Ivens tot de oprichters van de Filmliga, een collectief dat zich afwendde van de Amerikaanse amusementsfilm ten gunste van de zuiver artistieke vorm; een benadering die men uit de Sovjet-Unie, Duitsland en Frankrijk overnam. In het MORE zien we tal van karakteristieke fragmenten uit binnen- en buitenland.
Via de filmcamera ontwikkelden avant-gardisten een nieuwe blik op het leven van alledag. De opkomende verstedelijking en industrialisatie speelden daarbij een herkenbare rol. Mensenmenigtes, het steeds drukker wordende verkeer en toenemende hoogbouw leidden tot een onverwachte invalshoeken, ritmische montages en verrassende composities. De ‘stadssymfonie’ doet haar intrede. Voorbeeld: ‘De Brug’ (1928) van Joris Ivens, met zijn duizelingwekkende diepten, voortrazende treinwielen langs voorbijschietende bielzen én de sublieme soundtrack van Mark Hamlyn − want dat mag ook wel even benoemd: muziek zet de toon voor elke film! De stadssymfonie vond haar weerklank in de fotografie en schilderkunst, zoals de fotocompositie ‘Groẞstadt’ (ca. 1920) van Paul Citroen en ‘Dancing’ (1927) van Chris de Moor.

Onbehagen

Kenmerk van al dit ‘realisme’ is het gevoel dat de toeschouwer bekruipt. Want de objectiviteit is relatief, sterker nog: de stemming is geladen. Over de beelden hangt een grauwsluier van gejaagdheid, onbehagen, desoriëntatie, naderend onheil zelfs. De termen ‘surrealisme’ en ‘magisch realisme’ zijn niet voor niets uitgevonden. Carel Willinks ‘Zeppelin’ tegen het sombere zwerk boven de P.C. Hooftstraat is evenmin een objectief schilderij als Pyke Kochs ‘Achterbuurtrapsodie’, dat weer bijna even grotesk en unheimisch aandoet als de stomme horrorfilm ‘Das Cabinet des Dr. Caligari’ (1920) van Robert Wiene.

Toch is Nieuwe Kaders allerminst een deprimerende tentoonstelling. Er is ook de aanstekelijke vrolijkheid van Eva Besnyö’s foto van ‘John Fernhout aan de Oostzee’ (1932) en de lieflijke élégance van model Auti Reijne-Lebeau, waarbij fotograaf Erwin Blumenfeld haar geschulpte kanten kraag als pendant van haar geonduleerde haardos belicht. En een van de meest geliefde technieken, de close-up, stemt zelfs regelmatig tot kalmte en bespiegeling. Zo voert cineast J.C. Mol je mee in de microscopische diepten van het ‘Rijk der kristallen’. Qua foto’s kun je je laven aan de wonderschone fractal in een ‘Doorgesneden bloemkool’ (Henk van der Horst) of het feeërieke ‘Berijpt gebladerte’ van Gerrit Kiljan.

Primeur

Nieuwe Kaders mag een Nederlandse primeur heten: de eerste tentoonstelling die neorealistische schilderkunst, Nieuwe Fotografie en de interbellumfilm samenbrengt. Bovendien wordt en passant de onderlinge samenhang geanalyseerd. En toch, afgezien van een globale thematische ordening, is de inrichting ogenschijnlijk ongedwongen, bijna speels. Als bezoeker wandel je op je gemak door een fascinerende periode van de West-Europese kunstgeschiedenis.


Nieuwe Kaders: schilderkunst, fotografie en film 1920-1940. T/m 24 januari 2021. www.museummore.nl

Waardeer dit artikel!

Waardeer je dit artikel? Voel je vrij om dit te laten blijken met een kleine bijdrage. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Mijn gekozen donatie € -