Beeldende kunst

Bruggenbouwer tussen realisme en abstractie

Ooit een gewaardeerde meester, tegenwoordig een onterecht vergeten kunstenaar.
Museum MORE haalt de immer bescheiden Rein Draijer (1899-1986) terug voor het voetlicht. Met een monografie en een grootse overzichtsexpositie, getiteld ‘In Essentie’.

(De Stentor, 01-07-2016 & Het Beeldende Kunst Journaal, augustus 2016)

“Je ziet bij mij geen vrolijke kleuren, geen rood en geel en zo. Ik heb het grijs van ons land geaccepteerd,” zei Rein Draijer in 1975. Wie door de zalen van Museum MORE dwaalt en de overzichtsexpositie ‘In Essentie’ bekijkt, begrijpt wat hij bedoelde. Toch klopt het niet helemaal met de totaalindruk die beklijft. Zeker in de jaren dertig en veertig speelde kleur een verwarmende rol in zijn werk; kijk naar de ‘Schommeltent’ (1934) of de cyperse ‘Poes’ (1935) in haar mandje. De scherpe lijnen van een Carel Willink, met de menselijkheid van een Pyke Koch; dat is wat je hier zou kunnen concluderen. Maar ook Draijers latere werk doet niet kleurloos aan. Het hemelsblauw in ‘Witte wolk’ (1960) en het grasgroen van de weilanden (in ‘Weidehek’ en ‘Hollands landschap’, jaren zeventig) zijn zeer aanwezig.

Reizen

Rein Draijer (1899-1986) was een huismus.
“Hij is heel weinig in het buitenland geweest, hij was het liefste thuis bij zijn gezin,” vertelt kunsthistorica Marguerite Tuijn, gastcurator en auteur van de Draijer-monografie.
Toch ontkwam hij niet altijd aan reizen. Zo maakte hij, met rijkssubsidie, in de jaren vijftig studiereizen naar Sardinië en Rome en vloog hij zelfs, met een beurs van de KLM, naar Zuid-Afrika.
Stille getuigen hiervan hangen in de expositiezaal: de statige verticalen van cypressen (‘Via Appia’) naast een relatief kleurrijke opeenstapeling van horizontalen tot de ‘Tafelberg’ (1958). En in 1962 vertegenwoordigde hij Nederland op de Biënnale in Venetië.
“Draijer was dus allesbehalve wereldvreemd,” benadrukt Marguerite Tuijn. “Hij had veel contact met collega’s. In de jaren dertig zat hij al bij De Onafhankelijken in Amsterdam, een kunstenaarsvereniging waar men goed op de hoogte was van internationale ontwikkelingen.”

Vete

Draijers brede oriëntatie kwam ook aan het licht in de openingstoespraak voor deze expositie, door niemand minder dan kunstenaar/kunsthistoricus Cor Blok. Met zachte stem gaf professor Blok een laagdrempelige beschouwing van Draijers werk. Hij memoreerde ook hoe Draijer geen partij koos binnen de ‘vete’ tussen abstract en figuratief werkende kunstenaars, zoals die met name in Amsterdam woedde.
“Wie in het Stedelijk wilde hangen, kon toch maar beter abstract werken,” merkte Blok fijntjes op. Verder wees hij op formaat en vorm van Draijers doeken: vaak vierkant of bijna vierkant. “Daardoor wordt de blik niet naar een bepaalde kant getrokken tenzij naar het middelpunt. De afbeelding kan zich nergens achter verschuilen, maar moet zich laten zien zoals ze is.”

Nieuwbouw

Dat ervaar je bij ‘Avondramen’ (1976): een typisch rijtjeshuis uit de jaren zeventig. Draijer vertaalde het naar streng afgebakende vlakken en kaarsrechte lijnen, in zwart met subtiele grijzen.
Een titel als ‘Uitzicht II’ (1980) voor de aanblik van een stuk flat lijkt bijna sarcastisch bedoeld. Maar nee, weet Marguerite Tuijn: we mogen er juist een lofzang in zien op de hyperfunctioneel ontworpen sociale woningbouw uit die tijd. “Draijer hield erg van nieuwbouwwijken! Al die rechte lijnen vond hij mooi. Hij bewoonde zelf ook meerdere flats. Hij zei iets als: ‘Eigenlijk woon ik in een la, maar ik merk niet dat ik in een la woon.’”
Heel soms wijkt hij af van zijn neutrale en ‘rechtlijnige’ observaties, zoals in ‘Tekstprotest’. Onderaan vallen opeens de golvende spandoeken op – met deels Hebreeuwse teksten en het bekende ronde peace-logo − die bijna een vleugje engagement doen vermoeden. Tuijn: “Maar later beeldt hij dat schilderij af in een atelierinterieur, terwijl het op zijn ezel staat. Zo neemt hij afstand en relativeert hij het eigenlijk zelf ook weer.”

Rein Draijer: 'Zomerkassen'
Rein Draijer: ‘Zomerkassen’

De Stijl

Kunstenaar Jurjen de Haan (1936), leerling van Draijer, typeerde zijn meester als ‘de Mondriaan van het realisme’. Het is dan ook geen toeval dat Museum MORE juist Marguerite Tuijn koos als gastcurator.
Tuijn, lachend: “Ik ben gepromoveerd op Theo van Doesburg (net als Mondriaan vertegenwoordiger van kunstbeweging De Stijl, MC). Ype Koopmans, de artistiek directeur, vond dat wel een leuke invalshoek. Daarom vroeg hij mij voor deze opdracht.”

Vanwege de nadruk op vlakken, geometrische lijnen en compositie beschouwt ze Draijer graag als een bruggenbouwer tussen abstractie en figuratie. Draijer bereikte immers iets als een synthese. Zoals in de bronsplastieken, waarin hij de effecten van hol versus bol verkende. Maar vooral in zijn schilderijen plaatste hij stukjes werkelijkheid zó ver buiten hun context, dat je pas na twee keer kijken ontdekt dat je voor een figuratief werk staat.
In de diagonalen van ‘Wissel’ (1932) bijvoorbeeld herken je de treinrails niet meteen. Ook de olijfgroene ‘Schaduw’ (1968) lijkt op het eerste gezicht abstract, tot een klein rond stopcontact je uit de droom helpt. En op ‘Zomerkassen’ (1967) is vooral een lege blauwe hemel te zien (‘Draijerblauw’ noemt Tuijn het), met onderaan alleen glazen daken.

Allemaal composities uit de gewone werkelijkheid zoals we die dagelijks onbewust waarnemen, bijvoorbeeld vanuit de trein of in een wachtkamer.
Daarmee wordt bewaarheid wat Cor Blok al glimlachend voorspelde, aan het eind van zijn openingsrede: “Ik denk dat u, als u straks het museum verlaat, buiten een heleboel Rein Draijers zult zien.”

Een jaar Museum MORE

Op 1 juni 2015 ging Museum MORE te Gorssel officieel open. Het fraaie pand fungeert als thuisbasis voor de grootste collectie Nederlands Modern Realisme. “En we hebben het afgelopen jaar meer dan honderdduizend bezoekers gehad, wat erg veel is voor een middelgroot museum in dit deel van het land,” constateert artistiek directeur Ype Koopmans tevreden.

De huidige collectie omvat werk van o.a. Raoul Hynckes, Charley Toorop, Wim Schuhmacher, Jan Mankes, Dick Ket, Pyke Koch en Carel Willink. Bij binnenkomst op de bovenverdieping valt je oog al gauw op twee recente aanwinsten: een kleine Koch en een Schuhmacher.
Koopmans: “Ja, we zijn nog steeds aan het verzamelen. En soms stoten we werken af, omdat ze niet in de collectie passen. Soms vanwege de kwaliteit, soms vanwege de stijl; dan zijn ze bijvoorbeeld te geabstraheerd en horen daarom elders thuis.”

 

Naar aanleiding van de overzichtsexpositie ‘In Essentie’ schreef Marguerite Tuijn een monografie over Rein Draijer (met bijdragen van Peter Struycken en Herman Berserik), uitgave WBooks.

Geef een antwoord